Manuele Therapie Marsman (MTM)

MTM is een van de vele verschillende stromingen binnen de manuele therapie.

Belangrijkste uitgangspunt is de totale samenhang van het lichaam. Dit vertaalt zich naar een algehele benadering als men kijkt naar het menselijk bewegen.

MTM gaat uit van de bouw van het lichaam, met name de wervelkolom. Geen enkel mens is symmetrisch. Dit geldt ook voor de wervelkolom. Elke wervel is uniek opgebouwd en heeft daardoor een specifieke vorm. Het totaal van de wervels zorgt daarom voor een unieke opbouw van de wervelkolom. Dit zorgt weer voor een specifieke voorkeur in houding en bewegen. Vanwege de samenhang niet alleen in de wervelkolom, maar in het gehele lichaam.

Voorbeeld: Als men de handen in bidgreep vouwt, dan zal de linker of rechterduim bovenop liggen. Probeert men vervolgens de volgorde om te draaien (andere duim boven), dan blijkt dat dit niet vanzelfsprekend is. Dit is een van de verschillende aanwijzingen van voorkeur.

Het basisprincipe binnen MTM is: bewegen is tegenbewegen. Dit houdt in dat bij elke beweging van het lichaam een tegenbeweging wordt uitgevoerd. Dit is het meest duidelijk bij bewegen van de romp. De tegenbeweging probeert het zwaartepunt van de persoon in het midden te houden.

Voorbeeld: Als men voorover buigt, zullen de billen zich tegelijk (maar niet in gelijke mate) naar achter bewegen (tegenbewegen). Als men met de rug tegen een muur staat, is tegenbewegen niet of nauwelijks mogelijk. Daarmee is het vermogen om voorover te buigen ook duidelijk beperkt.

Het voorbeeld laat zien dat het vermogen tot bewegen samenhangt met het vermogen tot tegenbewegen. De voorkeur geeft aan in welke richting iemand het makkelijkst beweegt. Door verschillende oorzaken kan het voorkeurspatroon verstoord worden. Zowel teveel in de voorkeur (bijvoorbeeld bij veel dezelfde beweging in het voorkeurspatroon), als uit de voorkeur. Dit laatste ziet men vaak na een trauma, zoals een auto ongeluk (whiplash klachten).

Een verstoord beweegpatroon kan leiden tot een scala aan klachten (o.a rug/hoofdpijn, (sport)blessures, slik/maag/darmklachten, concentratieproblemen, etc). De aard van de klachten hangen samen met de plaats van het verstoorde patroon. In de meeste gevallen is er sprake van indirecte klachten. De plek van het verstoorde patroon is niet (direct) voelbaar als klacht, maar leidt tot klachten op andere plaatsen.

Voorbeeld: Een te grote voorkeur van de borst wervelkolom naar rechts kan leiden tot schouderklachten rechts.

De behandeling is erop gericht de balans tussen bewegen en tegenbewegen te herstellen. Dit gebeurt door het mobiliseren van (delen van) de wervelkolom in voor de patient specifiek bepaalde patronen.

Als er voldoende mobiliteit is, kan de patient dit zelf ondersteunen door het doen van oefeningen.